Het hoogtepunt wordt ingeladen

Het Billy en Charley verhaal

(Shadwell forgeries)

  Het Billy en Charley verhaal (ook bekent als "De Shadwell vervalsingen).

   (vertaald uit het engels)

 

Gedurende het midden van de 19e eeuw, werd de londense archeologische wereld verstoord doordat er een groot aantal middeleeuwse (11e - 16e eeuw) loden voorwerpen te koop werden aangeboden. Uiteindelijk bleken dit vervalsingen te zijn,en staan sindsdien bekent als de Billy & charley vervalsingen, genaamd naar de makers er van.

William Smith (Billy) en Charles Eaton (Charley), de vervalsers, waren twijfelachtige figuren. Het is zelfs onzeker of Billy's echte naam ook echt Willima smith was, maar er is genoeg aan biografische gegevens om dit aannemelijk te maken.

 

 De jonge jaren.

Charley was geboren in 1834 en Billy was een paar jaar jonger. Beiden waren "mudlarks", personen die bij laag water de oevers van de rivier de Thames afzoeken op zoek naar oudheidkundige voorwerpen die enige waarde hebben (heden dag bestaan ze nog steeds). Een Londense antiquair genaamd William Edwards leerde rond 1845 Billy kennen, en Charley wat jaren later. Hij kocht alles wat hij interessant vond van hun op.

Billy en Charley verdienden zo hun geld tot 1857, toen ze besloten om gevonden oudheden te gaan vervalsen. Voorwerpen werden gegoten van lood (of een mengsel van tin en lood) in kalken mallen, om ze vervolgens te verouderen door ze in een zuur onder te dompelen. de meest voorwerpen die ze maakten waren medaillons van 5-10 cm groot, met een oog aan de bovenzijde, zodat ze gedragen konden worden als hanger. Door de primitieve giettechniek , waren de voorwerpen dun, met slechte randen en putjes in het voorwerp dus alle kenmerken om het oud te doen lijken. De voorwerpen die ze namaakten waren o.a dolken, beeldjes, ampullen, pelgrims insignes en zelfs kleine altaartjes.

De meest voorkomende figuren op deze vervalsingen, waren ridders in strakke harnassen, koningen met rare puntige kronen en priesters met wijde loshangende mantels. Dit waren allemaal figuren met kinderlijke uitdrukkingsloze gezichten. Billy en Charley waren analfebeet, en de inscripties op de voorwerpen bestonden uit betekenisloze letters en symbolen (o.a. arabische cijfers). Billy en Charley vertelden dat ze hun vondsten hadden gedaan bij Shadwell (district in Londen) waar een nieuw droogdok werd gebouwd. Het materiaal om iets te maken kostte hun twopence en ze verkochten het voor 1/2 crown (2 shilling + 6 pence = 30 pence), dus 15x zoveel. Grotere voorwerpen zelfs voor meer.

William Edwards werd hun grootste afnemer, en beschreef de voorwerpen als volgt; de meeste interessante relikwieën die ik in jaren heb gezien en de vroegste pelgrim's insignes ooit gevonden. Op zijn beurt verkocht hij ze weer aan George Eastwood, een antiquair aan de City Road in Londen, die grote hoeveelheden van hem af nam en ze adverteerde als:  opmerkelijk zeldzame en unieke vondsten van loden insignes uit de tijd van Richard II.

 

 Ontdekt!

Het is niet verrassend te noemen dat zoveel nieuwe ontdekkingen wat vragen begon op te roepen. Henry Syer Cuming uit southwork, secretaris van de Britse archeologische Vereniging, en Thomas Bateman, archeoloog van het Peak District, waren twijfelachtig over de exemplaren die ze te zien kregen, en begonnen hierover met elkaar en anderen te corresponderen. De conservatoren van het Brits museum deelden hun mening. In maart 1858 vergeleek "The gentleman's Magazine" ze met kinderspeelgoed en verklaarde ze waardeloos.

Tegen het einde van maart had Henry Syer Cuming ontdekt waar ze waren gemaakt. "Het spel is bijna uit" had hij geschreven. Op 28 april presenteerde hij zijn bevindingen aan de Britse Archeologische Vereniging. Hij vertelde dat er 12.000 woorwerpen waren ontdekt, natuurlijk een overdrijving, maar het gaf goed aan, hoeveel er in een korte tijd waren veschenen. Zijn bevindingen waren dat ze vol zaten met tegenstrijdigheden, slecht en grof gemaakt waren, het een grof schandaal om mensen op deze manier te misleiden, en het hem spijtte dat er geen legitieme middelen waren om de vervalsers te straffen.

Zijn bevindingen werden niet gepupliceerd in het blad van de verenging, maar in de Gentleman's Magazine. Verkoop van de voorwerpen daalde snel, en Georg Eastwood schreef naar de Gentleman's magazine en naar het Britse tijdschrift Athenaeum om de lezers te verzekeren dat zijn voorraad echt was.

In de tussentijd was de eminente archeoloog Charles Roach Smith bezig de gevonden voorwerpen te onderzoeken. In 1858 was hij met pensioen gegaan, maar had nog steeds een goede reputatie. Hij had geen idee wat de voorwerpen nu waren, maar dacht dat ze uit de 16e eeuw waren, om de eenvoudige reden, dat ze zo belachelijk er uit zagen. Hij stelde: als dit vervalsingen zijn, dan is het de meest extreme belediging van deze eeuw, die er is aangeboden aan de verzamelaars. Thomas Hugo, dominee van St.Botolph's Bishopgate, had ook een interesse genomen in de vondsten, en hij dacht dat het varianten van pelgrim's insignes waren.

De academische discussie verdween naar naar de achtergrond toen Georg Eastwood de uitgevers van het blad Athenaeum aanklaagde wegens smaad. hij stelde dat ze een artikel hadden gepubliceerd, waarin hij verdacht werd van het verkopen van vervalsingen, al werd zijn naam niet genoemd. De rechtzaak, die werd gehouden op 4 augustus 1858 te Guildford, was uniek in de Engelse geschiedenis, aangezien ze voortkwam uit een discussie binnen de archeologische gemeenschap. George Eastwood was de 1e getuige. Hij vertelde dat hij William Edwards 296 pond voor 1100 voorwerpen had betaald voordat hij direct begon af te nemen van Billy en Charley. Zelf had hij eerst gedacht dat het kinderspeelgoed was, maar nu dacht dat het pelgrim's insignes waren.

William Edwards vertelde dat Billy en Charley hem voor het eerst in juni 1857 voorwerpen hadden aangeboden, ongeveer 1100 stuks, waarvoor hij 200,- pond had betaald. Op de vraag: wat hij dacht dat de voorwerpen waren, gaf hij als antwoord, dat de archeologische vereniging dat maar moest bepalen.

Charley was recent getrouwd, en zijn vrouw liet hem niet naar de rechtzaak gaan. Billy verscheen wel. Een reporter die de rechtzaak versloeg beschreef hem als: een grof uitziende jongeman. Billy zei, dat hij en Charley ongeveer 2000 voorwerpen hadden gevonden, waar ze 400,- pond voor hadden gekregen. Hij vertelde dat ze dokwerkers hadden omgekocht met gratis drank om daar te zoeken en weg te smokkelen en dat ze dat zelfs na werktijd hadden gezocht (hij gaf toe dat ze op deze punten schuldig waren, aangezien het tegen de haven bepalingen was geweest). Vervolgens werden experts gevraagd te getuiigen. De eerste was Charles Roach Smith die onwillig en van slag was omdat tot dit alles was gekomen, en zich af vroeg of dit alles wel zin had. Niet te min, bleef hij van mening dat de voorwerpen echt waren.  Dominee Thomas Hugo verklaarde ze ook middeleeuws. Toen ze gevraagd werden, waarom ze dat dachten, gaven beiden als reden dat het intuitief was. Frederick Fairholt, een archeologische illustrator, en 2 andere antiquairs verklaarden ook dat ze echt waren.  De verdedigende partij claimde dat er geen zaak was, omdat Eastwood's naam nergens in het stuk genoemd wordt. De jury ging hier in mee, en verklaarde de aangeklaagde partij onschuldig.

Henry Syer Cuming was in de wolken "we hebben een overwinning behaald" schreef hij naar Thomas Bateman. Hij had een bekentenis van schuld ontvangen van een handlanger van Billy en Charley dat deze vervalsingen had gemaakt, van ontwerpen overgenomen uit het blad van de Britse Archeologische Verenigingen en het blad "Collectanea Antiqua" van Charles Roach Smith. Als deze bekentenis ooit was gebruikt in de rechtzaak, had het waarschijnlijk er anders uit gezien. Hoe Billy en Charley ooit in het bezit zijn gekomen van exemparen van "Collectanea Antiqua" is raadselachtig en duid er op dat ze toch hoog geplaatste connecties moeten hebben gehad.

The Times besteedde anderhalve kolom aan de rechtzaak, wat door het blad Athenaeum werd overgenomen, en waarbij ze George Eastwood's gedrag aan de kaak stelden. Charles Roach Smith was een stuk sympatieker met zijn mening over Georg Eastwood, en schreef naar Thomas Hugo: We hebben de echtheid van de voorwerpen vastgesteld. Hij bood zelfs aan om bij te dragen in de kosten van de rechtzaak. Charles Roach Smith versloeg voor "The Gentleman's magazin" de rechtzaak. Hierin stelde hij dat de relatief late periode van de 16e eeuw, dat de voorwerpen gemaakt waren, hun anachronistische kenmerken kon verklaren.Hij stelde dat een vervalser voorwerpen zou namaken die hij kende, maar deze voorwerpen waren totaal onbekend. Het zou ook onmogelijk voor een vervalser zijn om zo'n enorme verschijdenheid aan voorwerpen te vervalsen. Hij daagde Henry Syer Cuming uit het tegendeel te bewijzen, maar deze trok zich uit het hele debat terug.

Aan het einde van 1858 stelde Charles Reed, Het hoofd van de Londonse drukwerk maatschappy", enkele voorwerpen ten toon aan "The Society of Antiquaries".

 

 Vervolg nog onder constructie: